Volgens de legende zou NASA miljoenen hebben uitgegeven aan een "ruimtepen", terwijl de Sovjet-Unie een simpel potlood gebruikte. Deze wijdverspreide mythe is echter veel interessanter in de details. Aan het begin van het ruimtetijdperk gebruikten zowel Amerikaanse astronauten als Sovjet-kosmonauten daadwerkelijk potloden. Zelfs vulpotloden werden gebruikt in de Mercury- en Vostok-programma's. De potloden bleken echter onbetrouwbaar. Stof van leisteen en houtdeeltjes in gewichtloosheid konden elektronica beschadigen of in de longen van de bemanning terechtkomen. Dit vormde een ernstig gevaar. De beroemde AG-7 "ruimtepen" werd in 1965 ontwikkeld door de particuliere uitvinder Paul Fisher, die er $1 miljoen van zijn eigen geld in investeerde. NASA kocht er in 1967 400 van voor $6 per stuk. Later schafte de USSR ook 100 van deze pennen aan voor haar Sojoez-programma. Deze pen schrijft bij temperaturen van -50 tot 160 °C en zelfs onder water. Beide mogendheden kozen voor dezelfde betrouwbare oplossing.