Gladiatoren vochten niet altijd tot de dood. Gemiddeld eindigde slechts 1 op de 10 gevechten in het Romeinse Rijk in een dodelijk slachtoffer. Ze waren gewaardeerde atleten, die vaak als waardevol bezit werden behandeld zodat ze opnieuw konden deelnemen aan wedstrijden. Het Colosseum in Rome, geopend in 80 na Christus onder keizer Titus, bood plaats aan maximaal 50.000 toeschouwers. Murmillos met grote schilden en retiarii met drietanden en netten traden er op en demonstreerden verschillende vechtstijlen. De beroemde Spartacus, een Thracische gladiator uit Capua, leidde in 73 v.Chr. een slavenopstand. Veel gladiatoren waren echter vrijwilligers, aangetrokken door roem en de kans om tot wel 15.000 sestertiën te verdienen voor een overwinning. Ongelooflijk genoeg waren er ook gladiatrixen – vrouwelijke gladiatoren die in de arena vochten. Keizer Septimius Severus verbood hun optredens in 200 na Christus, hoewel ze altijd een zeldzaamheid en een exotische verschijning bleven. De laatst bekende gladiatorenspelen vonden plaats in Rome in 404 na Christus. Keizer Honorius verbood ze volledig nadat de monnik Telemachus was gedood toen hij probeerde een gevecht te stoppen. Deze gebeurtenis betekende het einde van een bloedig tijdperk.